FCI Rasstandaard American Akita

FCI-Standard No 344/05.01.2006/GB

Rasgroep: 5. Land van herkomst: Japan.

ALGEMENE VERSCHIJNING: 

Grote hond, krachtig gebouwd, goed in verhouding, met veel massa en zwaar bot. Breed hoofd, vormt een stompe driehoek met een diepe voorsnuit, in verhouding kleine ogen en staande oren die bijna in lijn met de achterzijde van de hals gedragen worden, is een specifiek kenmerk voor het ras.

BELANGRIJKE VERHOUDINGEN:

§         De verhouding schofthoogte tot lichaamslengte bedraagt 9 tot 10 bij reuen en 9 tot 11 bij teven.

§         De diepte van de borst meet de helft van de hoogte van de hond vanaf de schoft.
De afstand van de punt van de neus tot de stop verhoudt zich tot de afstand van de stop tot de achterhoofdsknobbel als 2 tot 3.

GEDRAG EN TEMPERAMENT: 

Vriendelijk, attent, reagerend, waardig, volgzaam en moedig.

HOOFD: 
Massief, maar in verhouding tot het lichaam, vrij van rimpels als de hond op zijn gemak is. Van boven gezien vormt het hoofd een stompe driehoek.

 

BOVENSCHEDEL:
Schedel : Vlak en breed tussen de oren. Een ondiepe groef strekt zich goed uit over het voorhoofd.
Stop : Goed aangeduid maar niet te abrupt.

 

AANGEZICHT:
Neus : Breed en zwart. Vleeskleur alleen in witte honden aanvaardbaar, maar aan zwart wordt altijd de voorkeur gegeven.
Voorsnuit : Breed, diep en vol.
Lippen : Zwart en niet overhangend, roze tong.
Kaken/Gebit : Kaken niet gerond maar stomp, sterk en krachtig. Gebit sterk, regelmatig en volledig; een schaargebit heeft de voorkeur, maar tanggebit is aanvaardbaar.
Ogen : Donkerbruin, in verhouding klein, niet puilend, bijna driehoekig van vorm. Oogleden zwart en aangesloten. Vleeskleurige oogleden alleen toegestaan in witte honden.
Oren : Krachtig opstaand en klein in verhouding tot de rest van het hoofd. Als het oor naar voren gevouwen wordt om de lengte te meten, dan zal de punt het bovenooglid raken. Oren zijn driehoekig, licht gerond bij de punt, breed bij de aanzet, niet te laag aangezet. Vanaf de zijkant gezien, zijn de oren naar voren hellend voorbij de ogen en ze volgen de halslijn.

HALS: 

Dik en gespierd met minimale keelhuid, in verhouding kort, geleidelijk naar de schouders toe verbredend. Een uitgesproken kruin loopt harmonieus over in de schedelbasis. 

LICHAAM: 

Langer dan hoog. Huid niet te dun, noch te strak, noch te los. 
Rug : Recht.
Lenden : Krachtig gespierd.
Borstkas : Breed en diep. Ribben goed gewelfd met een goed ontwikkelde borstkas. 
Onderbelijning en buik : Matig opgetrokken.

STAART: 

Groot en goed bedekt met haar, hoog aangezet en over de rug of voor driekwart deel tegen de flanken gedragen, vol, of een dubbele krul, altijd tegen de rug of onder de ruglijn komend. Bij driekwart krul komt de staartpunt goed tegen de flanken. Staartaanzet breed en krachtig. Het laatste staartwerveltje komt tot de sprong als de staart naar beneden getrokken wordt. Haar hard, recht en dicht, zonder het verschijnen van een pluim.

LEDEMATEN: 
Voorhand: Voorbenen voorzien van zwaar bot en van voren gezien recht.
Schouders : Sterk en krachtig en matig schuin liggend.
Middenvoet : Licht naar voren gebogen in een hoek van ongeveer 15 graden ten opzichte van een verticale lijn.
Achterhand : Sterk bespierd, breedte en bot vergelijkbaar met de voorhand. Hubertusklauwen op de achterbenen worden gewoonlijk verwijderd.
Bovendij : Sterk, goed ontwikkeld, van achteren gezien parallel. 
Knieën : Matig gebogen.
Hakken : Goed naar beneden, noch naar binnen, nog naar buiten draaiend.
Voeten : Recht, kattenvoeten, goed opgebogen met dikke voetzolen.

GANGWERK/BEWEGING: 

Krachtig, grond beslaand met matig uitgrijpen en stuwkracht. Van voren en van achteren gezien is het gangwerk parallel, waarbij de rug sterk, krachtig en vlak blijft.

VACHT:
Haar: Dubbele vacht. Ondervacht dik, zacht, dikker en korter dan de bovenvacht. Bovenvacht is recht, hard, stijf en iets van het lichaam afstaand. Beharing aan hoofd, onderbenen en oren is kort. Lengte van het haar bij de schoft is ongeveer 5 cm, wat iets langer is dan op de rest van het lichaam, behalve de staart, waar de vacht het langst en overvloedigst is.
Kleur: Elke kleur als rood, fauve, wit enz. of zelfs pinto en brindle. Kleuren zijn glanzend en helder en aftekeningen goed verdeeld, met of zonder masker of bies. Witte honden (eenkleurig) hebben geen masker. Pinto’s hebben een witte grondkleur met grote, gelijkmatig verdeelde platen die het hoofd en meer dan een derde deel van het lichaam bedekken. Ondervacht kan een andere kleur hebben.

MAAT:
Schofthoogte: Reuen: 66 tot 71 cm, teven: 61 tot 66 cm.

FOUTEN: 

Elke afwijking van de voorgaande punten moet als een fout worden beschouwd en de beoordeling van de ernst van de fout moet in verhouding staan tot de mate waarin de fout zich voordoet.

§   Teefachtige reuen, reuachtige teven.

§         Smalle of snipey hoofden.

§   Ontbrekende gebitselementen (behalve 2x P1 en/of M3).

§        Blauwe of gevlekte tong.

§        Lichte ogen.

§       Korte staart.

§       Naar binnen of naar buiten staande ellebogen.

§       Elke aanwijzing van kraag of bevedering.

§       Verlegenheid of kwaadaardigheid.

 

ERNSTIGE FOUTEN:

§        Weinig massa.

§        Licht bot.

 

DISKWALIFICERENDE FOUTEN:

§         Agressief of schuw.

§         Volledig ongepigmenteerde neus. Een wisselneus.

§         Hangoren of gevouwen oren.

§         Boven- of ondervoorbijtend.

§         Sikkelstaart of staart zonder krul.

§         Reuen beneden 63,5 cm, teven beneden 58,5 cm.

 

OPMERKING:

Reuen moeten twee normaal ontwikkelde, volledig in het scrotum ingedaalde testikels hebben.

(vertaald in Nederlands:)

 

English:

 

ORIGIN : Japan.

 

DEVELOPMENT : USA.

 

DATE OF PUBLICATION OF THE ORIGINAL VALID STANDARD : 06.07.2005.

 

UTILIZATION :      Companion Dog.

 

CLASSIFICATION F.C.I. :      

Group 5: Spitz and primitive types.

Section 5 Asian Spitz and related breeds. Without working trial.

                                                                       

BRIEF HISTORICAL SUMMARY : In the beginning, the history of the American Akitas is similar to the history of Japanese Akitas. Since 1603, in the Akita region, Akita Matagis (medium-sized bear-hunting dogs) were used as fighting dogs.  From 1868, Akita Matagis were crossbred with Tosas and Mastiffs. Consequently, the size of Akitas increased, but characteristics associated with Spitz type were lost.  In 1908 dog fighting was prohibited, but Akitas were nevertheless preserved and improved as a large Japanese breed.  As a result, nine superior examples of Akitas were designated as « Natural Monuments » in 1931.

During World War II (1939-1945), it was common to use dogs as a source of fur for military garments.  The police ordered the capture and confiscation of all dogs other than German Shepherd Dogs used for military purposes.  Some fanciers tried to circumvent the order by crossbreeding their dogs with German Shepherd Dogs.  When World War II ended, Akitas had been drastically reduced in number and existed  as  three distinct types : 1) Matagi Akitas 2) Fighting Akitas 3) Shepherd Akitas.  This created a very confusing situation in the breed.  During the restoration process of the pure breed after the war, Kongo-go of the Dewa line enjoyed a temporary, but tremendous popularity.  Many Akitas of the Dewa line, which exhibited characteristics of the Mastiff and German Shepherd influence, were brought back to the United States by members of the Military Forces.

The Akitas from the Dewa line, intelligent and capable of adapting to different environments, fascinated breeders in the United States and the line was developed with increasing number of breeders and a great rise in popularity.

The Akita Club of America was established in 1956 and the American Kennel Club (AKC) accepted the breed (inscription into the stud book and regular show status) in October 1972.  However, at this time, the AKC and the JKC (Japan Kennel Club) did not have reciprocal agreements for recognizing each other’s pedigrees and therefore the door was closed for the introduction of the new bloodlines from Japan.  Consequently, Akitas in the United States became considerably different from those in Japan, the country of origin.  They developed as a type unique in the United States, with characteristics and type unchanged since 1955.  This is in sharp contrast with Akitas in Japan which were crossbred with Matagi Akitas for the purpose of restoring the original pure breed.

 

GENERAL APPEARANCE : Large-sized dog, sturdily built, well balanced, with much substance and heavy bone.  The broad head, forming a blut triangle, with deep muzzle, relatively small eyes and erect ears carried forward almost in line with back of neck, is characteristic of the breed.

 

IMPORTANT PROPORTIONS :

·       The ratio of height at withers to length of body is 9 to 10 in males and 9 to 11 in bitches.

·       The depth of the chest measures one-half of the height of the dog at withers.

·       The distance from tip of nose to stop corresponds to the distance from stop to occiput as 2 does to 3.

 

BEHAVIOUR / TEMPERAMENT : Friendly, alert, responsive, dignified, docile and courageous.

 

HEAD : Massive, but in balance with the body, free or wrinkles when at ease.  Head forms a blunt triangle when viewed from above.

 

 

CRANIAL REGION :

Skull : Flat and broad between ears.  A shallow furrow extends well up on forehead.

Stop : Well defined, but not too abrupt.

 

FACIAL REGION :

Nose : Broad and black.  Slight and diffuse lack of pigment on noseis acceptable in white dogs only but black is always preferred.

Muzzle : Broad, deep and full.

Lips : Black. Not pendulous; tongue pink.

Jaws/Teeth : Jaws not rounded, but blunt, strong and powerful.  Teeth strong with regular and full dentition; scissor bite preferred, but level bite acceptable.

Eyes : Dark brown, relatively small, not prominent, almost triangular in shape.  Eye rims black and tight.

Ears :  Strongly erect and small in relation to the rest of the head.  If the ear is folded forward for measuring length, tip will touch upper eye rim.  Ears are triangular, slightly rounded at tip, wide at base, not set too low.  Viewed from the side, the ears are angled forward over the eyes following the line of the neck.

 

NECK : Thick and muscular with minimal dewlap, comparatively short, widening gradually toward shoulders.  A pronounced crest blends harmoniously into the base of skull.

 

BODY : Longer than high.  Skin not too thin, neither too tight nor too loose.

Back : Level.

Loin : Firmly muscled.

Chest : Wide and deep.  Ribs well sprung with well developed brisket.

Underline and Belly : Moderate tuck-up.

 

TAIL : Large and well furnished with hair, set high and carried over back or against flank in a three-quarter, full, or double curl, always dipping to or below level of back.  On a three-quarter curl, tip drops well down on flank.  Root large and strong.

The terminal bone of tail reaches hock when let or puled down.  Hair coarse, straight and dense, with no appearance of a plume.

 

LIMBS

 

FOREQUARTERS : Forelegs heavy-boned and straight as viewed from front.

Shoulders : Strong and powerful with moderate layback.

Pasterns : Slightly sloping forward in an angle of approximately 15° to the vertical.


HINDQUARTERS : Strongly muscled, width and bone comparable to forequarters.  Dewclaws on hind legs customarily removed.

Upper thigh : Strong, well developed, parallel when viewed from behind.

Stifles : Moderately bent.

Hock joints : Well let down, turning neither in nor out.

 

FEET : Straight, cat feet, well knuckled up with thick pads.

 

GAIT / MOVEMENT  : Powerful, covering ground with moderate reach and drive.  Hindlegs move in line with forelegs.  Back remaining strong, firm and level.

 

COAT

 

HAIR : Double-coat.  Undercoat thick, soft, dense and shorter than outer coat.  Outer coat straight, harsh/stiff and standing somewhat off body.  Hair on head, lower legs and ears short.  Length of hair at withers and croup approximately 5 cm, which is slightly longer than on rest of body, except tail, where coat is longest and most profuse.

 

COLOUR : Any colour like red, fawn, white, etc; or even pinto and brindle.  Colours are brilliant and clear, and markings are well balanced, with or without mask or blaze.  White dogs (solid in colour) have no mask.  Pinto have a white ground colour with large, evenly placed patches covering head and more than one-third of body.  Undercoat may have a different colour from the outer-coat.

 

SIZE :

Height at withers : For males :     66 to 71 cm (26-28 inches),

                            for bitches :   61 to 66 cm (24-26 inches).

FAULTS: Any departure from the foregoing points should be considered a fault and the seriousness with which the fault should be regarded should be in exact proportion to its degree and its effect upon the health and welfare of the dog.

·       Feminine dogs, masculine bitches.

·       Narrow or snipey head.

·       Any missing tooth (except 2 of the PM1 and/or M3).

·       Blue or black spotted tongue.

·       Light eyes.

·       Short tail.

·       In or out at elbows.

·       Any indication of ruff or feathering.

·       Shyness or viciousness.

 

SERIOUS FAULTS :

·       Light in substance.

·       Light bone.

 

ELIMINATING FAULTS :

·         Aggressive or overly shy.

·       Totally unpigmented nose.  A nose with unpigmented areas (Butterfly nose).

·       Drop, hanging or folded ears.

·       Under- or overshot bite.

·       Sickle or uncurled tail.

·       Dogs under 63,5 cm (25 inches), bitches under 58,5 cm (23 inches).

 

Any dog clearly showing physical or behavioural abnormalities shall be disqualified.

  

N.B. : Male animals should have two apparently normal testicles fully descended into the scrotum.